Nemen, pakken; volledig neutraal. Coger el bus = de bus nemen.
Embarazada = zwanger. Nooit = beschaamd (valse vriend).
Geslachtsgemeenschap hebben. Vulgair.
Zwerfhond.
Iemand uit de hogere klasse met bekakte maniertjes; kan denigrerend zijn.
Pasta, noedels (gerecht).
Platte, dunne koek van genixtamaliseerde mais of tarwemeel, basis van taco s, quesadilla s en enchilada s.
Grappig, leuk, om te lachen.
Rode wijn.
Dronken, bezopen.
Termijn, vervaldatum (zoals in pico y placa).
Insect, klein levend beestje.
Klein kind. Let op: elders is dit een scheldwoord (idioot).
Baby, klein kindje.
Loterij, kleine weddenschap.
Geld, poen.
Taart, gebak.
Jongere, zoon of vriendje, afhankelijk van context.
Nummer of ritme dat de dansvloer doet ontbranden; urban merengue.
In straattaal: iemand verbaal aanvallen of steken onder water geven (vaak in liedjes).
Landgoed waar landbouwproducten worden verwerkt
Fout of misstap bij het spreken van Spaans.
Hoogste gezag van een dorp; traditionele leider.
Traditionele Afrikaanse trommel.